Omer heet hij. Omer Gielliet. Omer is het Hebreeuws voor “voedsel voor één dag”. Hoe mooi die betekenis ook is, zijn naam dekt de lading niet … “Voedsel voor één dag” is te bescheiden, naar ons oordeel. Dagen na onze ontmoeting met de man vermeldde ik zijn naam nog als aanrader.
Het begon al te kriebelen, begin september. In de marge van een werkvergadering kreeg ik een paar brochures te zien. Van oude tronken, opgebaggerd uit op zee gewonnen land. Met enkele uithalen van beitels en messen versneden tot beelden. Religieuze beelden. Een kruisweg. Bijbelse figuren. Profeten. Een Jona, neergepoot aan de boorden van de Schelde, tegenover de kerncentrale van Doel. Meerpalen, versneden tot robuuste beelden langs het paadje naar de kerk. Als je eigen voorgangers (in vele betekenissen van het woord) al enthousiast zijn, kan jij als opvolger niet anders dan de gebaande weg begaan. In het andere geval, mag je bij hen aanmeren.
En dus trokken Marleen en ik een weekend uit om in Waterland-Oudeman te gaan uitwaaien. Van op onze stek vertrokken, te voet naar Breskens. Door velden en over dijken. Behoedzaam de landbouwwegen begaan, waar de vette poldergrond haar sporen had getrokken tot aan de bietenbergen. Nog nagenietend van een heerlijke maaltijd in de Roste Muis, de avond daarvoor. (Een etablissement met smaak: meer dan honderd jaar geleden al toevluchtsoord voor de knechten van de boeren, die er na den angelus hunne noen gingen nemen. De Roste Muis stond bij de knechten voor eten en drinken. Illegaal, in zekere zin. Het was een geheim café. Maar de roste Virginie van Durme danste zo wulps op de tafels, dat haar bijnaam nu nog dienst doet als uithangbord voor haar hele etablissement en voor de nabijgelegen bushalte.)
En na kilometers wind voor voren, en wind opzij en wind van achteren aangekomen in Breskens. Vooraan in het dorp en naast de lagere school, ooit gebouwd als noodkerk voor een nieuwe wijk, ligt het Barbarakerkje. Een uur hebben we er rondgehangen. Van buiten en van binnen: de deur stond wagenwijd open. Gulzig alles al een keer bekeken. En pas dan op zoek gegaan naar de lichtknopjes. Dit was te mooi om zo maar op te schrokken in het donker. De spotjes, gericht op de kruisweg, gaven aan het herkauwen merkelijk meer smaak.
De inrichting van het kerkje had ons al uitgenodigd tot ingetogenheid. En waren het de kilometers in onze benen, of de teksten bij de kruisweg? We werden er stil van, en vatbaar voor de details in de symboliek: Een paaskaars op de mast van een scheepje, het kersttafereel in een door de bliksem geslagen boom, een altaar uit een 150-jaar oude eik, die net als in Mamre offertafel werd. De 15e statie: verrijzenis. Een boom aangevreten door de paalwormen. Het verderf zat in het hout. Maar de boom werd in de zon gelegd, en de wormen stierven. Verderf is ten dode opgeschreven als je het in het Licht plaatst. In het Licht is verrijzenis mogelijk.
En zo schransten we de beelden in ons geheugen, geholpen met ons ukkie mukkie fototoestel. En toen we verzadigd waren aan beelden en alle lichten in het kerkje weer gedoofd hadden om verder te gaan, vernamen we dat de beeldhouwer, Omer Gielliet, zelfs naast het Kerkje woonde. En dat je er op de koffie mocht gaan, dat deed iedereen… Niet dat de koffie niet zou smaken, maar er waren ook postkaarten van de beelden, en brochures… Met de teksten van de kruisweg bijvoorbeeld…Meer dan één reden dus om aan te bellen. Aanleiding voor méér voedsel voor geest en ziel, méér voedsel dan voor één dag.
Lichtblauwe ogen en lange witte haren, rusteloos krabben en prutsen maar bezielend vertellend, zo brandde Omer Gielliet zich in onze herinnering. Zijn kleine huis delend met 4, we denken Koerdische vluchtelingen, die (hij) al een aardig woordje Nederlands leerde(n). Gezeten bij de stoof in zijn atelier, hij nog wat bekomend van problemen met het hart. Voortdurend ook aandacht gevend aan de zoete inval van mensen. Een buurman die ook problemen heeft gehad met zijn hart, die even binnenloopt om te vragen hoe het er mee is. Kinderen die van de ganse dag nog niet gesnoept hebben, echt waar niet! Misschien al wel een kauwgom… “Maar dat is geen snoep hé..” vult hij hen dan aan.
En eenmaal hij weet of aanvoelt wie je bent en “waarvoor” je komt: honderduit vertellend, goochelend met beelden. Hoe jonge mensen raken? “Boor naar het grondwater, de bron van waaruit alle godsdiensten ontstaan. Maar laat dat water stromen. Als je het opslaat in kruiken, in vaten, in Heilige Vaten, dan gaat het leven er uit.” Hoe jonge mensen bewust maken van die diepere bodem? “Bij sommigen moet er een put geslagen worden, opdat ze aan dat grondwater komen. Bij anderen komt het vanzelf boven.” “Hoop op het moment dat they fall in love. Dan voelen ze zich zo wegglijden, dat zelfs de basisfuncties niet meer belangrijk zijn: eten, slapen… Gewoon omdat they fall in love!” En als oppervlakkigheid hun deel blijft? “Weet je wel welke diepte er onder elk oppervlak schuilgaat? Een plasje water: dan zit je meteen op de bodem. Maar welk een diepte heeft een oppervlak als de zee wel niet? En hoeveel kan die zee wel niet dragen?” “Maar is de appel nog niet rijp? Laat ze dan ook niet bijten.” Probeer jonge mensen die momenten te laten verwoorden, waarop ze het grondwater aanvoelden. Maar als de kip geen ei kan leggen, mag je ze niet forceren.”
“Behoed je alleen voor beelden waarvan je niet los kan geraken. Een beeldhouwer, diep in Afrika, had een beeldschone vrouw. Maar hij zag haar nooit, ze was altijd weg: naar de markt of op het veld.. Op een dag zei hij: “Blijf nu eens vijf minuten staan, dan kan ik een beeld van je maken.” En hij maakte een beeld van haar, zo mooi als ze zelf was… En de jaren gaan voorbij. De beeldhouwer is al oud en loopt al krom, als er bij hem op de deur van de hut wordt geklopt. Het blijkt een stokoude vrouw te zijn…
“Wie ben jij?” vraagt de beeldhouwer. “Ik ben je vrouw!” zegt de vrouw… Dat is niet waar, antwoordt hij… En hij haalde zijn beeld, om te laten zien hoe zijn vrouw er had uit gezien… Het beeld dat hij gemaakt had, kwam niet (meer) overeen met de werkelijkheid. Het had afgedaan.. Behoed je dus voor beelden waarvan je niet los kan geraken.”
“Als je dat niet doet, ga je die voorstellingen heiliger maken dan dat ze waard zijn. Ver weg in China was er eens een visser. En de vangst was die dag zo overvloedig geweest, dat hij een vis weggooide. Uit pure overvloed gooide hij zomaar een vis terug. Over zijn schouder, in de richting van de beek. En hij hoorde een plons, en zonder zich nog om te draaien, vervolgde hij zijn weg. De vis was echter niet in de beek gevallen, maar in een holle boom waarin, na de hevige regens, water was blijven staan. Een tijd later komt er een man voorbij, en die hoort gespartel in het water van een holle boom. Hij ziet de vis en zegt: God allemachtig. Hier zwemt een vis! In een boom! Dat is een wonder! Dat is een godde-lijke vis. En het verhaal van de goddelijke vis deed de ronde en er werd een tempel gebouwd rondom de boom en van heinde en verre kwamen mensen om de goddelijke vis te vereren.
Het bestaan van een goddelijke vis kwam ook de visser ter ore. “Een tempel van de goddelijke vis? Laat me daar maar eens naar toe gaan: ik ben zelf visserman, waarom zou ik die vis niet gaan aanbidden?” En de visser gaat naar de tempel met de holle boom.. “Wacht eens even”, zegt hij. “Die boom, die ken ik. Ik ben hier ooit voorbij gewandeld en ik heb toen van mijn overvloed één vis weggegooid. Dat is mijn vis.” En hij nam de vis en het was gedaan met de tempel van de goddelijke vis.
Omer vertelt ook over zijn ontmoetingen met mensen in heel de wereld. Vooral de melaatsen hebben een diepe indruk op hem nagelaten. “De melaatsen hebben het beeld van Damiaan gemaakt. Damiaan is bijna heilig verklaard, maar van de melaatsen die hem gemaakt hebben tot wie hij geworden is, spreekt men niet. De beroerde, daar spreekt men over. Maar niet over wie beroert.” Hij maakte ooit een beeld van Damiaan, temidden van de melaatsen. (Het hang aan de buitenkant van het kerkje.) Net om deze gedachte te uiten. Maar de melaatsen rotten weg uit het beeld, letterlijk. En Damiaan bleef over. “Dat moest zo zijn,” zegt hij zelf.
En hij vertelde over hoe beelden dingen kunnen losmaken. De Jona, aan de oevers van de Schelde, tegenover de kerncentrale van Doel. Monseigneur Van den Berghe, de bisschop van Antwerpen, werd gevraagd dat beeld in te wijden. “Ik zie dat niet zitten,” had hij geantwoord. Maar Omer zei:” Dan bent u de geschikte persoon! Jona zag het ook niet zitten om naar Ninivé te gaan.” En de bisschop kwam om het beeld te wijden. En hij preekte over abortus. En toen de tafel werd bereid voor Brood en Wijn, vroeg Omer aan de burgemeester met een emmertje water te scheppen uit de Schelde en één druppeltje ervan bij de wijn te doen. ”Dat kan ik niet,” zei de man. “De Schelde is vergiftigd. Ge zoudt er ziek van worden!” “Inderdaad,” zei pastoor Gielliet. “De Schelde is geaborteerd. Het leven dat er in aanwezig is, wordt doodgemaakt. Daarom staat die Jona hier.”
Het eerste beeld dat hij maakte voor zijn kerk, was een kruisbeeld. Jezus wordt omhelsd (getroost) door Maria (Magdalena), terwijl Hij over haar schouders heen naar de wereld kijkt. “Mensen worden te vaak vastgespijkerd op dat ene moment van het kruis. Ik wilde Zijn hele leven symboliseren.”
Eén van de meest recente werken is een groot beeld over de Vrijemarkt-economie. De Invisible Hand, die in het neo-liberalisme gezien werd als de hand die alle volkeren naar verbetering zou brengen, is een dodende hand gebleken. Armen worden er armer van. De kloof vergroot. Hij verwerkte in het beeld ook de Invisible Footh: de vertrappende voet die armen neerdrukt, zelfs verpletterd. De rentevoet..
En zo werd Omer Gielliet voor ons meer dan “voedsel voor één dag.” We kregen allebei een peer mee, voor onderweg.. Die smaakte! Maar nog meer dan die peer, de ontmoeting met die lieve pastoor uit Breskens…





Heel mooi!
Ik kwam vroeger ook graag bij de pastoor, in zijn huisje hing altijd een bijzondere geur en ik vond het er altijd erg mooi.
Door dit verhaal ga ik hem binnenkort toch weer eens opzoeken.
Het is ondertussen alweer bijna 15 jaar geleden dat ik hem voor het laatst heb gezien.